's Maandags doet Moeder boodschappen. Ze gaat meestal op de fiets. Gisteren
heeft ze ook boodschappen gedaan. Gisteren was het maandag. Eerst ging
ze naar de bakker. Ze groette de bakker vriendelijk: `Goedemorgen', zei
ze tegen hem. De bakker beantwoordde haar groet: `Dag, mevrouw Van Dam',
zei hij. `Hoe gaat het vandaag?'. `Het gaat wel', zei mevrouw Van Dam.
`Ik heb het erg druk. Hebt u lekker brood vandaag?' `Vanmorgen gebakken',
antwoordde de bakker. `Heerlijk vers.' `Geeft u mij maar een wit brood
en een bruin brood', zei Moeder. Ik heb nog een half volkoren brood thuis'.
f.4 75' zei de bakker. Moeder gaf de bakker f.5 en de bakker gaf haar een
gulden en een kwartje terug. Nu ging Moeder naar de slager. Daar kocht
ze vlees. Ze kocht twee en een half pond varkensvlees, drie en een half
pond worst en een kilo biefstuk.
f.52 48', zei de slager. `Alstublieft', zei Moeder. `En bedankt. Tot volgende week'. Ze gaf de slager zes briefjes van tien en ze kreeg drie rijksdaalders en twee centen terug. `Dag Mevrouw', zei de slager. `De groeten thuis.'
Exercise 44. Translate the text above into English.
Exercise 45. Beantwoord de volgende vragen:
1. Wanneer doet Moeder boodschappen?
2. Hoe gaat ze naar de winkel?
3. Gaat ze altijd op de fiets?
4. Wat was het gisteren?
5. Wat zei ze tegen
de bakker?
6. Wat vroeg ze aan de bakker?
7. Wanneer heeft de bakker brood
gebakken?
8. Wat heeft Moeder gekocht?
9. Hoeveel gaf ze de bakker?
10. Hoeveel kreeg ze terug?
11. Hoeveel worst heeft Moeder gekocht?
12. Hoeveel
gaf ze de slager?
13. Wat kreeg ze terug?
14. Hoe groette de slager Moeder?
15. Ging Moeder toen naar huis?
1. Wanneer doe jij je boodschappen?
2. Waar doe je je boodschappen?
3. Eet je wit, bruin of volkoren brood?
4. Eet je veel vlees?
5. Hoeveel
kost het varkensvlees?
Exercise 46. Give a. the correct form of the verb and then b. rewrite the sentences in the past tense.
1. (Hebben) jullie een mooi huis?
2. Ja, ons huis (zijn) heel mooi.
3. Hoeveel kamers (hebben) jullie huis?
4. In ons huis (zijn) vijf kamers.
5. Ik (luisteren) gisteren de hele dag naar de radio.
6. (Luisteren) jij elke dag naar de radio?
7. Vader (werken) elke dag in de tuin.
8. De kinderen (spelen) de hele dag buiten.
9. Ik (lenen) nooit geld bij de bank.
10. Hoe (smaken) Duits (German) brood?
11. Soms (koken) Vader het eten.
12. Waarom (plagen) jij je kleine zusje?
13. Zij (she) (zijn) nog nooit (never yet) in New York.
14. Vader (hebben) geen grote auto.
15. Het vliegtuig (gaan) naar Chicago.
16. Hannie (winkelen) de hele dag.
17. Wij (leren) niet veel nieuws vandaag.
18. Ik (leren) inderdaad (indeed) ook niet zo veel.
19. Henk (leggen) zijn boeken op de tafel.
20. Wie (betalen) vanmorgen voor de koffie?
21. Wim (betalen) voor de koffie.
22. Hij (vragen) de rekening (bill).
23. (Studeren) jij vandaag al veel?
24. Mijn vriend (verbranden) zijn hand.
25. Vader (kopen) een mooie nieuwe auto.
26. In het weekend (schrijven) ik veel brieven.
27. Dan (lezen) ik de brieven.
28. Dan (geven)
ik de brieven aan mijn moeder.
29. Ik (rijden) vaak (often) op mijn fiets.
30. Hoelaat (what time) (komen) je vader thuis?
