De Dijkstra's zijn op een vrijdagmorgen gearriveerd.
Hannie: Kijk Ma! Daar komt een vliegtuig! Misschien komt het uit Amerika.
Moeder: Ik heb op de monitor gekeken. Het vliegtuig dat uit Amerika komt,
zal een half uur te laat zijn.
Wim: He, wat vervelend! Nu moeten we nog
meer dan een half uur wachten voordat ze komen.
Moeder: Ja, ik kan het
niet helpen. We kunnen eerst een kopje koffie gaan drinken in het restaurant.
Wim: Hebt u de kinderen van Oom Cor en Tante Jane al ontmoet?
Moeder:
Ja, toen Pa en ik in Amerika waren, zeven jaar geleden. Toen waren de kinderen
nog erg klein.
Wim: Zijn ze aardig?
Moeder: Ze zijn erg aardig, maar ze
zijn wel anders. Amerikanen hebben andere gewoonten dan Nederlanders.
Wim: Wat bijvoorbeeld?
Moeder: Dat zul je wel merken zodra ze er zijn.
?? 316 uit Chicago is zopas geland. Dat moeten ze zijn!'
Vader: Nu moeten
ze nog door de douane.
Henk: Kijk! Daar is onze familie! Een man, een
vrouw, en twee jongelui - een jongen en een meisje.
Moeder: Ja, de man
met de twee grote koffers is mijn broer, Oom Cor. En de vrouw naast hem
is Jane, zijn vrouw. En de jongen en het meisje zijn Jim en Jan.
Wim:
Ik vind Jan knap!
Hannie: Ik hoop dat ze ook aardig is!
Moeder: Dag, lieve mensen! Hebben jullie een goede reis gehad?
Cor: Ja hoor, heel goed! Hoe gaat het met jullie?
Moeder: Ook heel goed. Welkom in je vaderland!
June: Hallo! Zijn dat jullie kinderen?
Moeder: Ja, dat is Wim, dat is Hannie en dat is Henk.
June: Hi, ik bedoel Dag!
Hannie: Dag. U spreekt goed Nederlands.
June: Ik doe mijn best.
Vader: De oude mensen gaan met de auto maar de jonge mensen moeten met de trein en tram.
Jim: Wat is een tram?
Wim: Dat is een soort trein die in de straat rijdt.
Jane: Wat groen is alles in Nederland! Is dat een molen?
Hannie: Ja, dat is een echte Hollandse molen. Dat is een molen die water pompt. Andere molens kunnen koren malen
en nog veel meer.
Jim: Wat is koren?
Wim: Koren is iets (something) dat
je gebruikt voor brood. Kijk, dat is ons huis.
June: How cute!
Hannie: Ja, leuk he?
Exercise 57. Vertaal het bovenstaand gesprek
in het Engels.
Exercise 58. Beantwoord de volgende vragen:
1. Was het vliegtuig op tijd?
2. Hoe wist Moeder dat het vliegtuig te
laat was?
3. Waar kwam het vliegtuig vandaan?
4. Hoe lang moesten ze wachten?
5. Wat konden ze eerst doen?
6. Waar konden ze een kopje koffie drinken?
7. Had Moeder de kinderen van haar broer al gezien?
8. Wanneer had ze Jim
en June gezien?
9. Zijn Nederlanders anders dan Amerikanen?
10. Hoe wist
Hannie dat het vliegtuig gearriveerd was?
11. Wat doe je met koren?
12. Hoe vindt Wim Jan?
13. Hoe was de reis geweest?
14. Hoe is June's Nederlands?
15. Wat is een tram?
16. Hoe gingen de ouders van de kinderen naar huis?
17. Hoe gingen de kinderen naar huis?
18. Wat kan een molen doen?
19. Hoe
vond June het huis van de Van Dams?
20. Hoe vindt Hannie hun huis?
1. Reis je veel per vliegtuig?
2. Zijn vliegtuigen altijd op tijd?
3. Heb je al met de KLM gevlogen?
4. Heb je al een molen gezien?
5. Heb je
al in een tram gereden?
Exercise 59. Using a suitable conjunction, combine
the following pairs of sentences, first beginning with the main clause,
then beginning with the dependent clause.
1. Ik wist (het) helemaal niet. Je spreekt goed Nederlands.
2. Moeder
zingt haar favoriete liedjes. Zij doet haar werk.
3. Wij gaan naar het
strand. Het is te koud.
4. Wij gaan naar het strand. Het is vrij (rather)
koud.
5. De toerist liep naar zijn hotel. Een dief stal zijn geld.
6. Ik
ben in Nederland geweest. Ik was nog klein.
7. De leraar vraagt (het).
Iedereen heeft het begrepen.
8. Hannie gaat vandaag niet naar de kerk.
Ze is ziek.
9. Ik zal je helpen. Je moet wel goed opletten.
10. Zij leest
veel. zij houdt van lezen.
11. Ik ga naar de dokter. Ik voel me (myself)
niet lekker.
12. Wim mag niet rijden. Hij heeft geen rijbewijs.
13. De
familie komt naar Nederland. Oom Cor heeft geen tijd.
14. Cor spreekt goed
Nederlands. June verstaat niet veel.
15. Jim wil (het) weten. Je kan in
Nederland baseball spelen.
