Cor: Hoelaat staan de kinderen op?
Vader: Om ongeveer zeven uur of
half acht.
Cor: En hoelaat begint de school?
Vader: Dat is verschillend.
De school van Wim begint om half negen, Hannie begint om tien voor half
negen en Henks eerste les is om acht uur.
Cor: Zitten ze niet op dezelfde
school?
Vader: Nee, Wim zit op de HTS, Hannie op het VWO en Henk op de
HAVO.
Cor: Waarom zitten ze niet op dezelfde school?
Vader: Wim zit op
een technische school omdat hij ingenieur wil worden, Hannie wil talen
studeren en Henk wil muziekleraar worden.
Cor: En hebben ze ook op verschillende
lagere scholen gezeten?
Vader: Nee, ze hebben allemaal op dezelfde protestants
christelijke basisschool gezeten.
Cor: En moesten jullie er veel voor betalen?
Vader: Nee, onderwijs is erg goedkoop in Nederland en iedereen
betaalt hetzelfde.
Cor: Zijn er ook katholieke scholen?
Vader: Ja, erg veel. En er zijn ook scholen voor Joodse, voor mohammedaanse en voor hindoe
kinderen.
Cor: Hoeveel moeten jullie betalen voor het onderwijs van de
drie kinderen?
Vader: Een paar honderd gulden. Zelfs het onderwijs aan de
? ? 000, dat is dus niet
? ? 000 per jaar.
Cor: Is het onderwijs goed in Nederland? Is het hetzelfde als in Amerika?
Vader: Het is erg goed maar heel anders dan in Amerika.
De studenten krijgen aan het eind van het jaar examen en als ze niet
genoeg weten, moeten ze het hele jaar herhalen.
Cor: Ook in het finale jaar?
Vader: In het finale jaar gaat het examen over het werk van twee
jaar.
Cor: Is er verschil tussen de verschillende universiteiten?
Vader: Er is geen verschil in kwaliteit tussen de universiteiten maar er is wel
een verschil tussen de vakken die ze doceren.
Cor: Waarom gaat Wim niet
naar de universiteit?
Vader: Een technische hogeschool is hetzelfde als
een universiteit maar de studenten studeren er alleen technische vakken.
Cor: En waarom zit Hannie op het VWO en Henk op de HAVO?
Vader: Omdat Henk naar het conservatorium en Hannie naar de universiteit gaat. Henk hoeft dus niet naar het VWO.
Cor: Ik vind het allemaal erg ingewikkeld!
Vader: Ja, het is erg ingewikkeld omdat het onderwijs in Nederland erg
gespesialiseerd is.
Exercise 66. Vertaal het bovenstaand geprek
in het Engels.
Exercise 67. Beantwoord de volgende vragen:
1. Hoelaat beginnen Henks lessen?
2. Hoelaat begint de school van Hannie?
3. Beginnen de verschillende scholen dezelfde tijd?
4. Wat wil Wim worden?
5. Wil Henk leraar worden?
6. Hebben de kinderen allemaal op dezelfde basisschool
gezeten?
7. Is christelijk onderwijs erg duur in Nederland?
8. Is het onderwijs
in Amerika en Nederland hetzelfde?
9. Zijn alle universiteiten goed in
Nederland?
10. Waarom zit Wim op een technische hogeschool?
11. Wat wil
Hannie studeren?
12. Waarom gaat Henk naar het conservatorium?
13. Wat
studeren studenten aan technische hogescholen?
14. Kan Oom Cor het allemaal
heel goed begrijpen?
15. Waarom is het onderwijs in Nederland zo ingewikkeld?
1. Heb jij op een christelijke basisschool gezeten?
2. Hoelaat beginnen
je lessen 's maandags?
3. Zijn alle basisscholen in Amerika hetzelfde?
4. Heb je technisch onderwijs gehad?
5. Heb je op een technische middelbare
school gezeten?
6. Houd je van muziek?
7. Hoeveel betaal je voor je onderwijs
per jaar?
8. Is dat hetzelfde als voor de middelbare school?
9. Zijn er
technische hogescholen in Noord-Amerika?
10. Zijn alle universiteiten in
de Verenigde Staten goed?
Exercise 68.
a. Rewrite the following sentences, first in the Past, then in the
Present Perfect Tense:
1. Meneer Van Dam gaat naar zijn kantoor.
2. Hij begint (motion) om
negen uur.
3. Moeder koopt vlees bij de slager.
4. Zij koopt hun brood
bij de bakker op de hoek.
5. Jan heeft een nieuwe fiets.
6. Mijn zusje
is acht jaar.
7. Zij speelt meestal de hele dag buiten.
8. Wim leent Vaders
auto.
9. Vader zegt niet veel.
10. Hannie fietst(!) elke dag naar haar
vriendin.
b. Supply the correct form of the verb, first in the Present, then in
the Past Tense:
1. De jongen (studeren) in de bibliotheek.
2. Moeder (doen) boodschappen.
3. Hoeveel vakken (hebben) je?
4. Ik (hebben) dit semester vier vakken.
5. De bakker (zeggen) Goedemorgen.
6. Hannie en Moeder (groeten) hem.
7. (Weten) jij hoelaat het (zijn)?
8. Ik (denken) dat het ongeveer vier uur
(zijn).
9. (Hebben) je vader een grote tuin?
10. Ja, want hij (zijn) een
goede tuinman.
c. Join the following sentences by means of a suitable conjunction:
1. Wij gaan niet uit. Wij zijn klaar met ons werk.
2. Henk gaat naar
de dokter. Hij is niet helemaal gezond.
3. Henk gaat niet naar de dokter.
Hij is niet helemaal gezond.
4. De meisjes en jongens gaan naar het strand.
Het is te koud.
5. Hij ging naar de universiteit. Hij was afgestudeerd.
d. Use the correct form of the verb given in parentheses:
1. Ik help je maar jij vraagt het eerst. (willen, moeten)
2. Wim rijdt niet in Vaders auto. (mogen)
3. Versta jij Duits? (kunnen)
4. Mijn vader leert het me. (willen)
5. Ga ik naar de stad? (mogen)
e. Combine the following pairs of sentences by means of a suitable relative
pronoun:
1. Jim heeft een zusje. Zij heet June.
2. Ik heb een brood gekocht bij
de bakker. De bakker woont op de hoek.
3. De schoenen zijn erg mooi. Je
hebt ze gisteren gekocht.
4. De kinderen hebben kerstliedjes gezongen.
De kinderen zijn tussen tien en twaalf jaar oud.
5. Mijn grootouders zongen
graag gezangen. De gezangen zijn honderden jaren oud.
